Tijdens de vakantie in Schotland met twee collega’s heb ik me vrolijk gemaakt over de typische tekst van het door Trijntje Oosterhuis prachtig gezongen lied: ‘Ken je mij, wie ken je dan’. 51 jaar geleden werd ik geboren in Zwolle. En deed daar de middelbare school. Ik ging geneeskunde studeren in Groningen. En twee jaar later theologie in Utrecht. Voor stages en vorming woonde ik enkele maanden op kamers in een achterstandswijk in Dordrecht. En ook een jaar in het karmelklooster in Almelo. Na de wijdingen was ik pastor (parochievicaris) in Lemelerveld en Vilsteren, en pastoor in Zevenaar en op het Gelders Eiland, later in Arnhem en Velp. En nu in Apeldoorn en Twello. Tussendoor was ik ook enkele maanden in Rwanda bij de zusters van moeder Teresa. Maar ken je me zo?

Tot mijn geluk ben ik geworden wie ik altijd wilde zijn. Spannend genoeg, heb ik gehoor geven aan wat (wie) echt een appèl op me doet. Want zo omschrijf ik roeping. Ik herinner me hoe ik vanaf mijn 8e geboeid werd door alles wat er gebeurde in de kerk. We woonden in Ittersum, een wijk in Zwolle-zuid. Maar onze parochiekerk stond in Assendorp, een andere oude wijk, twintig minuten fietsen bij ons vandaan. We gingen er elk weekend naar toe. Ons gezin was kerk betrokken. En je vond het heel normaal dat anderen van school en uit onze straat niet gingen, ‘niets’ waren, of bij een andere kerk hoorden. Ik ging ook graag alleen naar het Dominicanenklooster verderop in de stad. Ik beleefde het allemaal heel intens. Met een kinderlijk weten wist ik, dat ik priester zou worden. Tegelijk was het mijn jongensdroom arts te worden in Afrika. Op de middelbare school ging een meisje theologie studeren en dat vond ik ontzettend dapper. Het was in de jaren ’80. Programma’s op tv waarin een medium van alles laat weten over wat en wie er is tussen hemel en aarde, bestonden niet. Want er was zogenaamd niks. Maar in mij was er aldoor heel veel. En op mijn manier was ik over dat alles onbevangen in gesprek met Jezus. Met anderen sprak ik daarover niet. Toen ik als scholier in de gaten kreeg dat de lezingen in de kerk uit de Bijbel kwamen, ben ik thuis het Nieuwe Testament gaan lezen. Ik ging studeren, maar eerst nog geen theologie.

Op kamers in Groningen had ik me als student geneeskunde niet alleen ingeschreven bij de faculteitsvereniging, maar ook bij de parochie. Vlak voor Pasen stond onverwacht een kloosterzuster aan de deur van het studentenhuis. Om me te verwelkomen in de wijkparochie. Ter voorbereiding op tentamens zou ik tijdens de paasvakantie in de stad blijven. En besloot elke viering van de Goede Week mee te maken. Hoewel de liturgie en ook de geringe en grijze bezetting nauwelijks schoonheid had, was ik als vanouds, maar ook opnieuw, erg geraakt. Ik wist dat ik er iets mee moest. En zocht in de Nieuwe Katechismus (1966) onder het kopje ‘roeping’. Daar stond dat als gedachte aan priester worden vreugde oproept, heel waarschijnlijk God je roept. Omdat God geen God van verwarring is, maar van vreugde. Diepe vreugde is het kompas, stond er. En ook dat je jouw gedachten met iemand moest delen. Ik ging in Zwolle naar onze pastor; een pater Karmeliet. Hij zei dat ik de tijd mee had omdat er vanuit de omgeving geen druk meer was zoals vroeger. En ook dat pastoraat en genezing met elkaar te maken hebben. Hij herinnerde aan wat in een prefatie staat; dat wij God altijd en overal danken om heil en genezing te vinden.

Ik waagde de sprong, en gaf geneeskunde op. Dat was moeilijk. Want ik had het naar mijn zin. Wie ben je dan, weet jij mij beter dan ik? In Almelo kreeg ik als pastor-stagiair bij de Karmelieten in de gaten waar spiritualiteit over gaat. En dat het lege midden de ruimte is van en voor Gods aanwezigheid. Stilte en leegte toelaten heb ik echt moeten léren. Want ik ben vaak aan de voorkant. En van aard druk en gedreven. Maar diep is de vreugde wanneer je met waardering kunt afzien van comfort, genoegens en zekerheid. En aan de binnenkant tot leven komt, omdat Christus in je woont en werkt. Zo ook beleef ik de rijkdom van het celibaat. Inmiddels ben ik twintig jaar een gelukkige pastor-priester.

Het is een heel avontuur gebleken om mezelf en mijn eigen geloof te verbinden met dat van anderen en met de missie van de kerk. En om innerlijk echt ruimte te hebben, én te houden, voor God en voor anderen. In persoonlijk pastoraat is dat gave en genoegen geworden. Maar aan vergadertafels, bij parochiefusie en kerksluitingen, is het ook een flinke opgave om die ruimte te vinden. En daar verbinding te maken met zowel persoonlijk als zakelijk, eigen overtuiging en geloof van de kerk, met lokaal en centraal in de parochie(s).

Wie ben ik dan? Pas in de loop van de jaren leerde ik kennen welke priester ik ben. En dat ik sta in de verbinding tussen bijbeluitleg en levenservaring. Steeds duidelijker zie ik ook, voor wíe ik sta. Ik geloof in Jezus en in zijn missie. Ik heb Hem leren kennen. Vooral de viering van de Mis (missie) doet mij sterk beleven waar het Hem om gaat. En wat communie (kerk/gemeenschap) is: ons laten verbinden met Hem en met elkaar; vooral met de ‘armen’ en de ‘kleinen’. Kennen we hen? Bij deze mensen leerde ik mijn eigen ‘armetierige’ kleinheid kennen en omarmen, onder de af te leggen ikkigheid.

De laatste jaren heb ik me meer dan eens afgevraagd, of ik als pastoor in het grootschalig geworden parochiepastoraat van ons bisdom nog beantwoord aan mijn priesterroeping. Want de organisatie van de parochies en hun samenwerking roept ook bij mij wel ongenoegen op, en soms flinke frustratie. Maar die gaan altijd over, merk ik. Vooral in de feitelijke uitoefening van het ambt. Dan leef ik weer vanuit de dieper liggende vreugde en vrede.

Indachtig de Goede Herder die ons kent, en gekend wordt, hoop ik u te leren kennen. En zal ik niet nalaten mezelf flink te laten kennen; weleens knorrig, maar dikwijls vrolijk.

Graag tot ziens! Paul Daggenvoorde
cross